
10 dingen die elke belegger moet weten over de Amerikaanse midterms
Softwareaandelen stijgen vandaag harder dan de brede Amerikaanse beurs, terwijl verschillende chipbedrijven en bouwers van infrastructuur voor AI dalen. De uitslag van de midterms geeft beleggers meer duidelijkheid over de macht in Washington. Tegelijk moeten zij inschatten wat die nieuwe verhoudingen betekenen voor belastingen, datacenters en de financiering van de overheid.
De geschiedenis biedt daarbij een opvallend vertrekpunt. Een jaar na de tussentijdse verkiezingen stond de beurs vaak aanzienlijk hoger. Wie verder kijkt dan dat eindcijfer, ziet ook forse koersdalingen, grote verschillen tussen bedrijven en een patroon dat minder perfect wordt zodra de meetperiode verandert. Deze tien inzichten laten zien wat beleggers aan die geschiedenis hebben en hoe de beweging van vandaag daarin past.
Inhoud van dit artikel
1. Na alle 19 midterms sinds 1950 stond de beurs een jaar later hoger
3. Een positief eindresultaat kon een tussentijdse daling van 33% verbergen
5. Het derde presidentsjaar was sterk, maar is een andere rekensom
6. Onderzoek naar 49 sectoren vindt geen vast lijstje verkiezingswinnaars
7. Software loopt vandaag voorop, terwijl delen van de infrastructuur dalen
8. Microsoft trekt de softwaretracker omhoog, Datadog juist omlaag
10. Politieke rust over wetten kan samengaan met onrust over staatsschuld
1. Na alle 19 midterms sinds 1950 stond de beurs een jaar later hoger
In de historische S&P-koersreeks leverden alle negentien midterms van 1950 tot en met 2022 een positief rendement op over de daaropvolgende twaalf maanden. Gemeten vanaf de slotstand op de verkiezingsdag, of de laatste handelsdag daarvoor als de beurs gesloten was, bedroeg de gemiddelde stijging 15,1%. De middelste uitkomst was 14,5%. De zwakste kwam uit op 1,1%, de sterkste op 33,2%.
Dat is een opmerkelijk sterke reeks. De eigen berekening van De Belegger sluit aan bij de historische analyses van onder meer J.P. Morgan en Capital Group, die eveneens een gemiddelde rond 15% rapporteren. Kleine verschillen ontstaan onder meer doordat de ene berekening op de verkiezingsdag begint en de andere op de voorgaande handelsdag.
Het gaat hier om koersrendement in dollars. Dividend, fondskosten en de verandering van de dollar tegenover de euro zijn niet meegerekend. De oudste waarnemingen gebruiken de historische voorgangers van de huidige S&P 500, die in 1957 werd geïntroduceerd. Voor een Nederlandse belegger zou het daadwerkelijk behaalde rendement dus afwijken.
De reeks maakt een gunstig jaar na verkiezingen voorstelbaar. Negentien historische uitkomsten vormen echter geen zekerheid over de twintigste. Daarvoor verschillen de economie, de rente en de prijs van aandelen te veel per verkiezing.
2. Een andere meetdatum doorbreekt het perfecte patroon
Wie de vergelijking verschuift naar de laatste handelsdag van november, krijgt achttien positieve uitkomsten uit negentien. Het uitzonderingsjaar is 1986: vanaf de verkiezingsdag tot dezelfde datum in 1987 steeg de index 1,1%. Vanaf eind november 1986 tot eind november 1987 daalde hij juist 7,6%.
De marktgeschiedenis verandert daarmee niet. Alleen het begin- en eindpunt verschuiven enkele weken. Rond de beurscrash van 1987 maakt dat veel verschil. Ook de oorspronkelijke maandgemiddelden van econoom Robert Shiller laten voor november 1986 tegenover november 1987 een vrijwel vlakke, licht negatieve ontwikkeling zien.
Een langere terugblik geeft eveneens een minder perfecte reeks. Vanaf de midterms van 1938 waren 21 van de 22 vergelijkbare perioden positief, ongeveer 95%. De twaalf maanden na de verkiezingen van 1938 leverden een koersverlies van ongeveer 5,1% op.
Dat is een nuttige manier om een spectaculaire beursstatistiek te beoordelen. Blijft het grote verhaal overeind als de periode iets verandert? Hier blijft het historische beeld gunstig, maar verdwijnt het woord ‘altijd’. Een handelsstrategie die afhankelijk is van precies de juiste meetdag verdient extra terughoudendheid.
3. Een positief eindresultaat kon een tussentijdse daling van 33% verbergen
Het verkiezingsjaar 1986 laat nog iets zien. Binnen de twaalf maanden na die verkiezingen verloor de index op een bepaald moment 33,2% vanaf een tussentijds bereikte top. Dat kwam door de crash van 1987. Toch eindigt precies die verkiezingsperiode in het overzicht met een kleine plus.
Die 33,2% is dus geen verlies vanaf de aankoop op verkiezingsdag. Het is de daling van de hoogste eerder bereikte stand naar de daaropvolgende laagste stand binnen het onderzochte jaar. Voor iemand die de stijging had meegemaakt, was een groot deel van de opgebouwde waarde onderweg verdwenen.
Ook na de verkiezingen van 2018 was de route onrustig. De koerswinst na twaalf maanden bedroeg 11,7%, terwijl de grootste tussentijdse terugval vanaf een top 16,4% was. Wie aan het begin van zo’n periode alleen een positief jaargemiddelde voor ogen heeft, kan behoorlijk schrikken wanneer de markt eerst de andere kant op beweegt.
Daar zit het praktische verschil tussen een aantrekkelijke historische uitkomst en een belegging die iemand kan volhouden. Geld dat binnenkort nodig is, wordt niet veiliger doordat eerdere verkiezingsjaren uiteindelijk goed afliepen. De tussentijdse weg blijft onderdeel van het risico.
4. Het verkiezingsjaar zelf was gemiddeld juist zwakker
Een kalenderjaar met midterms is iets anders dan de twaalf maanden na de verkiezingsdag. In de negentien midtermjaren van 1950 tot en met 2022 bedroeg de gemiddelde koerswinst 4,6%. Voor de overige jaren binnen de volledige presidentiële cycli van 1949 tot en met 2024 was dat 11,1%.
Ook de terugvallen waren groter. Dertien van de negentien midtermjaren kenden een tussentijdse daling van minstens 10%. De gemiddelde grootste daling bedroeg 17,5%, tegenover 12,4% in de overige kalenderjaren.
Dat betekent niet dat een verkiezing die verliezen veroorzaakte. In 1974 speelden onder meer de oliecrisis, inflatie en een recessie. In 2002 werkte het uiteenspatten van de internetzeepbel door. In 2022 drukten hoge inflatie en snelle renteverhogingen op waarderingen. Het zijn omstandigheden die bedrijfswinsten en de prijs daarvan rechtstreeks raken.
Bovendien eindigden elf van de negentien midtermjaren gewoon positief. Verkiezingsonzekerheid kan een extra reden zijn voor voorzichtigheid, maar de kalender geeft geen betrouwbare datum om aandelen te verkopen en later weer terug te kopen.
5. Het derde presidentsjaar was sterk, maar is een andere rekensom
Het kalenderjaar na de midterms is het derde jaar van een presidentiële termijn. Dat jaar leverde in de onderzochte cycli gemiddeld 17,2% koerswinst op. Het is daarmee het sterkste jaar van de vierjarige cyclus.
Dit cijfer begint op de laatste beursdag van december en loopt tot eind december van het volgende jaar. De statistiek uit het eerste punt begint al rond de verkiezingen in november. Een deel van de stijging kan daardoor in het ene overzicht wel en in het andere niet vallen.
Ook bij dit kalenderpatroon telt de gekozen rendementsmaatstaf. In 2011 eindigde de S&P 500 zonder dividend vrijwel onveranderd. In 2015 daalde de koersindex 0,7%. Dividend kan van een licht negatief koersjaar alsnog een positief totaalrendement maken.
Er zijn plausibele verklaringen voor de historisch sterke derde jaren. De verkiezingsuitslag is bekend, bedrijven kunnen hun plannen aanpassen en overheden werken richting de volgende presidentsverkiezingen. De cijfers alleen kunnen niet vaststellen welk deel door politiek komt en welk deel door economische groei, rente of herstel na eerdere verliezen.
6. Onderzoek naar 49 sectoren vindt geen vast lijstje verkiezingswinnaars
Een onderzoek van de Universiteit van Canterbury bekeek 49 Amerikaanse sectorportefeuilles over de periode juli 1926 tot juni 2022. Veel sectoren behaalden rond midterms hogere rendementen. Zodra de onderzoekers rekening hielden met gebruikelijke risicofactoren, verdween het grootste deel van dat extra rendement.
Dat onderscheid is belangrijk. Aandelen die sterker reageren op de hele markt kunnen extra profiteren wanneer de onzekerheid afneemt. Ze kunnen ook harder dalen wanneer het tegenzit. Een hogere opbrengst is dan een vergoeding voor een groter risico, in plaats van een eenvoudig voordeel dat door de verkiezingsdatum ontstaat.
De onderzoekers vonden geen stabiele basis om met een vaste sectorrotatie rond iedere midterm extra rendement te verdienen na correctie voor risico. De onderzochte periode en modellen hebben hun beperkingen, maar het resultaat waarschuwt wel voor stellige lijstjes met aandelen die bij een Democratische of Republikeinse overwinning zouden moeten winnen.
Een logisch mechanisme blijft mogelijk: als beleggers meer duidelijkheid krijgen, kunnen ze een lagere vergoeding voor onzekerheid verlangen. Daardoor kan de prijs van toekomstige winsten stijgen. Dat mechanisme is iets anders dan bewijs dat de verkiezingen elke koersbeweging van vandaag verklaren.
Neem als eenvoudig rekenvoorbeeld een betaling van 100 dollar over tien jaar. Bij een verlangd rendement van 10% is die vandaag ongeveer 38,55 dollar waard; bij 9% ongeveer 42,24 dollar. Dat verschil van bijna 10% ontstaat zonder hogere toekomstige betaling. Zo kan een lagere vergoeding voor risico relatief veel betekenen voor bedrijven waarvan een groot deel van de verwachte winst nog ver weg ligt. Dit is een rekenvoorbeeld, geen gemeten verandering in het rendement dat beleggers vandaag verlangen.
7. Software loopt vandaag voorop, terwijl delen van de infrastructuur dalen
Rond 16.30 uur Nederlandse tijd stond de Amerikaanse softwaretracker IGV 2,49% hoger. De S&P 500-tracker SPY steeg 1,57% en de Nasdaq 100-tracker QQQ 1,67%. Software liep daarmee ongeveer 0,9 procentpunt voor op de brede beurs. Deze trackers zijn beursgenoteerde mandjes aandelen; hun koers geeft een praktisch beeld van de verschillende groepen.
Bij chipbedrijven was het beeld anders. De chiptracker SOXX daalde rond hetzelfde tijdstip 1,69%. Nvidia verloor ongeveer 1,1%, terwijl CoreWeave en IREN, die veel geld investeren in rekenkracht en datacenters, ongeveer 7% en 10% lager stonden. AMD steeg juist. De sterke kwartaalcijfers van gisteravond geven dat aandeel een eigen aanleiding.
De verkiezingsuitslag maakt onderscheid tussen deze bedrijfsmodellen relevanter. Strengere voorwaarden voor datacenters raken bijvoorbeeld vergunningen, stroomaansluitingen en de terugverdientijd van dure apparatuur. Een softwarebedrijf dat vooral bestaande infrastructuur gebruikt, heeft daar op een andere manier mee te maken.
Het koersbeeld past bij die afweging, maar bewijst de oorzaak niet. Tegelijk spelen bedrijfsresultaten, waarderingen en de economische cijfers van vandaag. Het Amerikaanse banenrapport van ADP meldde 86.000 extra banen; de ISM-index voor diensten kwam uit op 54,5, met een nog altijd hoge prijzenindex van 73. Dat is geen helder signaal dat de rente snel omlaag kan.
8. Microsoft trekt de softwaretracker omhoog, Datadog juist omlaag
Een sectortracker geeft de bedrijven met het grootste gewicht de meeste invloed. Microsoft woog volgens de fondsgegevens van 3 november 8,95% in IGV. Met een koersstijging van 6,14% rond 16.30 uur levert dat indicatief ongeveer 0,55 procentpunt aan de stijging van het mandje. Dat is ruim een vijfde van de totale koerswinst op dat moment.
Datadog laat de andere kant zien. Het bedrijf meldde vandaag 35% omzetgroei, maar het aandeel stond ruim 11% lager. Met een gewicht van 2,65% drukte die daling de softwaretracker indicatief met ongeveer 0,30 procentpunt. De sector kan dus stijgen terwijl een bedrijf met sterke omzetgroei fors wordt verkocht.
De vooruitblik helpt verklaren waarom beleggers verder kijken dan het afgelopen kwartaal: het midden van de omzetverwachting voor het vierde kwartaal komt neer op ongeveer 25% groei. Ook groeide de vrije kasstroom minder hard dan de omzet. Of de koersdaling precies hierdoor wordt veroorzaakt, is niet uit één handelsdag af te leiden. Het zijn wel bedrijfsspecifieke punten die losstaan van de verkiezingsuitslag.
AppLovin stond ondertussen bijna 10% hoger, terwijl zijn nieuwe kwartaalcijfers pas vanavond verschijnen. Bij Microsoft zijn de meest recente kwartaalcijfers van vorige week. De bewegingen van vandaag zijn daarmee een mengsel van nieuwe informatie, veranderde verwachtingen en de prijs die beleggers bereid zijn te betalen.
9. Regels voor AI worden ook buiten Washington bepaald
Meer Democratische invloed in het Congres betekent niet dat iedere verandering in de aanpak van AI daarmee begint. In 2025 stemde de Senaat met 99 tegen 1 voor het schrappen van een voorstel dat staten tien jaar lang sterk zou beperken in het reguleren van AI. De wens om ruimte te houden voor lokale regels ging toen al vrijwel door beide partijen heen.
Voor beleggers is dat relevant omdat een datacenter op een concrete plek moet worden gebouwd. Staatsbesturen, gemeenten, netbeheerders en toezichthouders spelen een rol bij stroom, water, grondgebruik en vergunningen. Een gunstige houding in Washington neemt die plaatselijke voorwaarden niet weg.
De omvang van de energievraag verklaart waarom het onderwerp politiek gewicht krijgt. Volgens de in juni gepubliceerde raming van Lawrence Berkeley National Laboratory gebruikten Amerikaanse datacenters in 2024 ongeveer 4,7% van de elektriciteit. Het referentiescenario komt voor 2030 uit op 11,8%, met een bandbreedte van 9,5% tot 15,3%.
De cijfers voor 2030 zijn scenario’s. Ze laten wel zien waarom extra capaciteit steeds vaker een verdelingsvraagstuk wordt. Wie betaalt het stroomnet, en wie krijgt de aansluiting? Software kan profiteren wanneer klanten efficiënter met rekenkracht moeten omgaan. Dezelfde software blijft afhankelijk van die rekenkracht en kan dus ook last krijgen van dure of vertraagde capaciteit.
10. Politieke rust over wetten kan samengaan met onrust over staatsschuld
Een verdeelde regering maakt grote nieuwe wetten lastiger. Over de financiering van bestaande verplichtingen moet echter nog steeds een besluit worden genomen. Daar komt het Amerikaanse schuldenplafond in beeld.
Volgens de Treasury-cijfers van 2 november stond ongeveer 40.306 miljard dollar aan schuld onder het wettelijke plafond. De limiet bedroeg ongeveer 41.104 miljard dollar. Dat laat circa 798 miljard dollar aan wettelijke leenruimte over. Dit bedrag is geen banksaldo van de overheid en zegt niet rechtstreeks hoeveel dagen alle betalingen nog kunnen doorgaan.
Ook het bereiken van de limiet en het moment waarop de overheid niet meer al haar rekeningen kan betalen zijn verschillende momenten. De Treasury kan onder voorwaarden tijdelijke maatregelen inzetten en heeft een kasbuffer. Het Bipartisan Policy Center plaatste in juni het mogelijke bereiken van het plafond in een brede periode van eind winter tot midden zomer 2027. Een officiële, vaststaande datum waarop alle betalingsruimte op is, volgt daar niet uit.
Onderhandelingen kunnen ondertussen al invloed hebben op de markt. Beleggers kunnen kortlopende staatsleningen die rond een risicovolle datum aflopen minder aantrekkelijk vinden en een hogere rente verlangen. Bij verdere escalatie kan dat doorwerken in financieringskosten en aandelenwaarderingen. Een tijdelijke sluiting van overheidsdiensten door ontbrekende begrotingsafspraken is bovendien een ander probleem dan het missen van rente of aflossingen.
Daarom is minder politieke bewegingsruimte geen volledige bescherming voor beleggers. Zij krijgen mogelijk minder grote wetswijzigingen, maar kunnen tegelijk meer onzekerheid krijgen over noodzakelijke financiële afspraken.
De geschiedenis na midterms is opvallend gunstig. Het bruikbaarste inzicht is hoeveel er achter dat gemiddelde schuilgaat: de meetperiode, de tussentijdse verliezen, de economische omstandigheden en de samenstelling van een index. Vandaag komen daar concrete verschillen tussen software, chips en datacenters bij. De verkiezingsuitslag helpt het verhaal te begrijpen. Of een aandeel aantrekkelijk is, blijft afhangen van de toekomstige winst, de risico’s en de prijs die daarvoor wordt betaald.




















































































































Opmerkingen